In kerkdiensten zit je al jarenlang naast dezelfde vrouw. Op een zondag wordt er voor haar gebeden: ze is ernstig ziek. Je wilt bij haar langsgaan, maar je durft niet zo goed: wat zal ze denken, wat moet je zeggen?
Of: je bent benoemd tot pastoraal bezoeker in je gemeente. Je krijgt een lijstje namen. Maar je kent de meeste mensen niet. Je twijfelt: wat ga je tegenkomen? Wat moet je doen?
Drempelvrees hoort bij pastoraal contact. We hebben zeven herkenbare situaties voor je, met praktijktips.

1. Ik vind het spannend om mensen op te bellen

Zogenaamde telefoonangst komt bij relatief veel mensen voor. Hoe jonger bent, des te groter de kans hierop, want jongeren bellen sowieso veel minder.
Telefoonangst is begrijpelijk. Bij een telefoongesprek is de ander niet zichtbaar. Bepaalde reacties daardoor lastiger te begrijpen of te plaatsen. Bovendien is het niet altijd duidelijk of de ander begrijpt wat jij zegt, bijvoorbeeld als je je aan een randkerkelijk lid uitlegt dat je namens het pastorale team van de kerkelijke gemeente belt.

Er zijn een aantal ‘truukjes’ om spanning rond telefoongesprekken te verminderen:

  • Schrijf om een kladpapiertje de belangrijkste kernzinnen op. Zo kun je oefenen om jezelf kort maar krachtig voor te stellen, en in het gesprek snel maar vriendelijk ter zake te komen.
  • Het is handig als die ander van te voren weet wie je bent. Zorg ervoor dat de mensen uit jouw pastorale bezoekwijk weten dat je hun ouderling/pastoraal bezoeker bent. Schrijf iets in het kerkblad, met  foto – of doe klein briefje door de bus waarin je aankondigt dat je belt.
  • Veel mensen vragen zich af of zij wel gelegen bellen. Er is maar één manier om daar achter te komen: vraag het! Als het niet gelegen komt, spreek dan een concrete dag en tijd op waarop je terug kunt bellen. Zo weet je de volgende keer zeker dat je wél gelegen belt, wat dat gesprek gemakkelijker maakt.
  • Telefoonvrees leidt vaak tot het uitstellen van gesprekken. In de praktijk geeft dit uitstellen echter alleen maar méér problemen. Ik ken iemand die op zijn telefoon een briefje had geplakt met de letters ‘DA’. Dat betekende: ‘direct aanpakken’. Sinds deze persoon zich voornam om telefoongesprekken niet langer uit te stellen, gingen de zaken hem beter af.
  • Telefoon blijft een gebrekkig middel: je ziet elkaar niet. Er is niets mis mee als je zou besluiten telefoongesprekken niet langer dan 5 minuten te laten duren. Alles wat langer duurt, kan je ook ‘live’ doen. Langsfietsen kost misschien wel minder energie.

2. Ik weet niet of ik wel welkom ben

Zelf vind ik dat altijd weer het wonderlijke van pastoraat: dát je steeds welkom blijkt te zijn. Keer op keer blijkt dat mensen juist om bezoek en gesprek verlegen zitten. We leven in een tijd waarin mensen druk zijn. Bezoek is voor sommige pastoranten een uitzonderlijk verschijnsel. De eenzaamheid in woonzorgcentra is soms schrijnend. Probeer het maar; in de overgrote gevallen zul je oprecht welkom geheten worden. De pastoraal bezoeker heeft in onze tijd een onbetaalbare schat bij zich: aandacht. Je komt – neemt de tijd om te komen – en bent één en al oor voor de pastorant. Dat is een schaars en gewild goed in onze tijd. Vrees maar niet dat dat niet in goede aarde zal vallen! 

Tegen de tijd dat je de deurbel indrukt, wordt het tijd je te bedenken dat een klein beetje ‘drempelvrees’ iets gezonds is. Het maakt je lichaam alert. Het houdt je geest waakzaam: je gaat een ander tegemoet, die anders is dan jij. Het is alleen maar nuttig als je je daarvan goed bewust bent.

En als je dan eenmaal over de drempel bent: er is een verschil tussen ‘niet welkom zijn’ en ‘ergens aankomen’. Oók als u ergens welkom bent, kan het gesprek in het begin wat minder soepel verlopen. Dat verschijnsel moet men niet verwarren met het idee dat je niet welkom zou zijn. Het kost nu eenmaal altijd wat energie om te ‘wennen’ aan elkaar als gesprekspartners. ‘Uw ziel komt altijd een kwartier later aan dan uw lichaam’, zei iemand ooit tegen mij. Dat klopt voor meelevende bezoekjes. Denk dus niet meteen bij de eerste de beste ietwat haperige communicatie dat je niet welkom bent!

3. Ik weet niet wat ik zal tegenkomen

Veelzijdigheid is een spannend element van bezoekwerk. Je kunt van alles tegenkomen: jongeren met schulden, een zieke oudere, een sterfbed. Ook de omgeving wisselt per gesprek. Een gesprek bij mensen thuis heeft een ander karakter dan een gesprek in het verpleeg- of ziekenhuis. Ieder gesprek is anders qua lengte, vorm en inhoud. 

  • Het helpt als we ons bedenken dat er geen ‘standaardgesprek’ bestaat. Bezoekwerk is altijd maatwerk. Het is onmogelijk om je op iedere situatie die maar zou kunnen voorkomen, voor te bereiden. Daarom is het beter om per situatie te bekijken wat een goede randvoorwaarden voor een pastoraal gesprek zijn. Ontdek in de variëteit aan gemeenteleden ook de uitdaging om al tastende met creativiteit steeds nieuwe situaties in te gaan.
  • Accepteer daarnaast dat het ene gesprek nu eenmaal beter gaat dan het andere; zo is het leven. Je bent niet perfect, die ander ook niet. En je hebt – meestal – nog een volgende kans, misschien loopt het dan wel heel anders.
  • Als je merkt dat de spanning op dit punt het gesprek begint te beheersen, communiceer dan iets van je gevoelens: ‘Ik merk dat ik erg onder de indruk ben van wat u vertelt. Ik had niet gedacht dat dit u is overkomen. Ik ben er wat stil van, weet niet zo goed wat ik zeggen moet.‘ Of, in het geval van een concrete vraag richting u van de pastorant: ‘Van dit onderwerp weet ik niet zo veel af. Ik lijkt mij het beste om dit even te overleggen met een mede-ouderling of met de predikant. Vind u het goed, als ik hier later op terugkom?’.

4. Ik ben bang dat ik niets te zeggen zal hebben

De angst om met een mond vol tanden te staan is ook een bekende spanning in het pastoraat. Wij leven in een mondige maatschappij, waarin zoeken naar woorden of zelfs stil-zijn makkelijk als negatief worden gezien. 

Maar in de kerk is alles anders dan in de wereld. In het pastoraat is zwijgen goud en spreken zilver, niet omgekeerd. Alleen al het vertellen van de eigen problemen of levensgeschiedenis, kan jouw gesprekspartner enorm helpen. Hardop denken, wat van binnen vastzit aan het woord laten – het is zo waardevol.

Pas nadat u uitvoerig naar de pastorant heeft geluisterd, kun je proberen iets ‘terug te geven’ van wat je hebt gehoord: ‘Ik merk dat er heel verschillende gevoelens bij u zijn. U bent enerzijds gespannen voor de operatie, maar anderzijds ziet u ook uit naar het moment dat deze pijn voorbij zal zijn.’ Zo’n reactie staat nog in het kader van het luisteren: je hoeft zelf niets in te brengen, je spiegelt wat de ander vertelde. Primair gaat het in pastoraat om luisteren, luisteren en luisteren.

‘Primair gaat het in pastoraat om
luisteren, luisteren en luisteren.’

Soms kunnen je eigen gedachten en emoties ook een bron voor eigen reacties zijn. Dit vergt wel tact; je moet uiteraard niet alles zeggen wat denkt of voelt. Maar er kunnen momenten in het gesprek zijn – vaak juist als je inhoudelijk niet zo goed weet wat je moet zeggen – dat een ‘zelf-mededeling’ een nuttig middel is. Een ‘zelf-mededeling’ is bijvoorbeeld: ‘Ik merk dat er helemaal koud van wordt, als u dit moeilijk verhaal vertelt. Als ik me probeer voor te stellen, hoe dit allemaal voor is geweest, dan merk ik dat ik u een heel moedig mens vind.’

5. Ik ben bang voor stiltes

Een variant op nummer 4. De vorm is anders, maar de grond-angst hetzelfde.

Het is goed te bedenken dat er vele soorten stiltes zijn. Is jouw gesprekspartner stil omdat hij/zij nadenkt, zijn/haar pijn of verdriet voelt, of omdat het gesprek niet ‘loopt’? Niet alle stiltes hoeven ‘opgelost’ te worden door ze vol te praten. Wees niet bang voor stilte, stilte kan kostbaar zijn.
Bij stilte hoor je geen geluid, maar dat wil niet zeggen dat het gesprek ook stil-ligt. De ander kan diep aan het nadenken zijn over wat gezegd is, of tijd nodig hebben woorden te vinden. Makkelijke praters vinden nu eenmaal sneller woorden dan introverte mensen. Als vuistregel moet je spreektempo letterlijk en figuurlijk gelijk liggen aan dat van uw gesprekspartner.

Ook hier geldt, dat communicatie van de eigen ervaring van belang kan zijn: ‘Ik merk dat het u tijd kost om woorden te vinden over deze moeilijke situatie. Vind u het goed als we gewoon even met elkaar stil zijn?’. Laat de stilte de stilte zijn.

6. Ik weet niet wat ik doen moet

Vaak komt deze ‘angst’ voort uit de gedachte dat de pastor iets zou ‘moeten doen’. Vooral doelgerichte en probleemoplossingsgerichte persoonlijkheden hebben te maken met deze gedachten.
De vraag is: is wel zo dat je iets komt ‘doen’ in het pastorale bezoek? Het is niet erg als er geen harde ‘doelstelling’ te formuleren is voor het pastorale bezoek. Pastoraat is niet doelloos, maar het is ook niet doelgericht in die zin dat er per sé iets ‘gedaan’ moet worden. ‘Iets willen doen’ of ‘willen oplossen’ is niet altijd mogelijk. Sterker nog: in de actiemodus schieten kan er makkelijk toe leiden dat de ander niet écht gehoord wordt. Het gaat niet om doen, maar om zijn.

7. Ik vind het eng om te bidden of bijbel te lezen

  • Aanbelevenswaardig is het boek De Bijbel ter sprake brengen van P. Bukowski. Bukowski laat zien hoe het maken van ‘bruggetjes’ tussen het leven van de pastorant en de Bijbelse geschiedenissen van belang is.
  • Er zijn enkele standaardlijstjes in de handel, die passende teksten bieden voor bepaalde pastorale situaties.
  • Op PastoraatWijzer.nl staat een lijstje, waarop men voor een bepaald pastoraal bezoek een lezing op voorhand kan uitzoeken.
  • Het kan zijn, dat bidden voor een ander of samen bijbellezen voor jou spannend voelt (bijvoorbeeld omdat je er weinig ervaring mee hebt), terwijl het voor de ander heel natuurlijk aanvoelt. Het past meestal in het verwachtingspatroon: een groenteboer verkoopt groente, naar de slager ga je voor vlees, en de pastoraal bezoeker bidt en/of leest uit de Bijbel.

Heb jij ook tips over dit thema? Reageer gerust!