Zoals een arend over zijn jongen waakt en voortdurend erboven blijft zweven,
zijn vleugels uitspreidt en zijn jongen daarop draagt,
zo heeft de HEER zijn volk geleid, hij alleen:
geen andere god stond hem bij (Deuteronomium 32:11-12)

Hoog op een rots ligt een vogelnest.
Direct naast het nest 
is een diepe afgrond.

En het is maar een dun lijntje:
tussen de rand van het nest,
én de rand van de afgrond.

Ze horen bij elkaar:
dat veilige, warme nest.
En die hoge, steile rotswand.

De jongen in het nest
zullen daar achterkomen
zodra ze groter worden.

Hun vader, – papa adelaar -,
voedt ze nu nog in hun nest.
Maar straks wordt het anders.

Dan zal ‘papa adelaar’ iets wonderlijks doen:
met z’n scherpe snavel
geeft hij z’n jongen dan een zetje.

Een zetje over de rand van het nest;
de diepte van de afgrond tegemoet.
Een zetje, het dunne lijntje over.
~
Het nest 
en de afgrond, ze horen bij elkaar.
Jongen van de vader zullen ze allebei leren kennen.

Mozes roept het beeld op van een arend.
Vaderlijk voedt de vogel z’n jongen op.
Zó, zegt Mozes, 
zó leidt de hemelse Vader Zijn kinderen.
Geloof is rust en onrust tegelijk.
Een nest, én een afgrond.

Er zijn momenten waarop
geloof in de Here God rust brengt.
Overgave, vrede, berusting –
het kunnen vruchten zijn van geloof.
Geloof in God als een warm, veilig nest.

Maar op ándere momenten brengt
vertrouwen op de hemelse Vader ónrust.
Het is als een heilig avontuur,
het opzoeken van de grens.
Spanning, onzekerheid, strijd –
ook zij horen bij het christelijk geloof.
Geen veilig nest; maar eruit, er-op-uit.

Het is maar een dun lijntje
-tussen het nest en de afgrond-
je moet ze niet teveel scheiden.
Geloof is vrede
én geloof is heilige onrust.
De God die je bij Hem roept,
is ook de God die je weer uitzendt.
De God die je veiligheid geeft,
is ook de God die je als schaap onder de wolven zendt.
De God die je alles schenkt wat nodig is,
is ook de God die alles van je vraagt.
~
En daarom…

Hoog op een rots bouwt een adelaar een nest.
Hij doet het aan de rand van een afgrond.
De eieren zijn uitgebroed,
de jongeren groeien al flink.
Het warme nest wordt al te knus.
De jongen beginnen elkaar te verdringen.
De oude vogels kunnen niet genoeg voedsel meer aanslepen.
Het moment is gekomen,
dat de jongen het nest uit moeten.

Ze moeten zelf leren vliegen,
ze zullen op eigen benen leren staan.
Voorzichtig kijken ze over de rand,
schreeuwend en slaand met hun vleugels.
Maar ze aarzelen;
liever blijven ze in het veilige nest.
De warmte lonkt meer dan de diepte.
De rust trekt meer dan het avontuur.

En, gemeente, voor een christen is het vaak niet anders.
Als wij in de Bijbel lezen,
onthouden we vaak makkelijker beloften en bemoediging
dan opdrachten en woorden van roeping.
In de kerk kiezen we soms al te gemakkelijk
voor de weg van de minste weerstand,
om wille van de lieve vrede of om andere lieve redenen.
Sneller zien jij en ik onze God
als de hemelse Vader
bij wie je troost en rust vindt,
dan als de God
die je vraagt anders te gaan leven,
die je oproept Christus te volgen
door wat je lief is, los te laten.
~
En zeker –
onze God is de hemelse Vader.
En Hij geeft troost en rust.
Maar Hij laat het daar niet bij.
Zijn liefde gaat verder.

Kijk maar naar dat nest, en de afgrond.
De vogels worden volwassen.
Daarom grijpt vader Arend in:
hij stoot zelf z’n jongen de rand over.
Zodra ze het dunne lijntje over zijn,
wordt het spannend –
ze vallen, ze fladderen vol angst,
ze duikelen en het vliegen lukt niet direct.

Maar: vader Arend blijft erbij.
Geen moment verliest hij z’n jongen uit het oog.
Hij stuurt hen wel de diepte in;
nooit laat Hij hen vallen.
Hoe diep ze ook kunnen vallen;
nooit te diep om
door hem opgevangen te worden.
~
Een christen met een volwassen geloof
kan niet altijd maar ‘in het nest met de rest’ blijven.
God laat de mens niet 
in de geborgenheid van het veilige nest.
Hij stoot ons het volle leven in.

Een vogel moet ‘op eigen wieken’ leren zweven;
een mens zal leren verantwoordelijkheid te nemen.
Dat roept spanning op, angst wellicht.
Maar dit is waartoe God roept:
neem je verantwoordelijkheid,
leer om voluit het leven tegemoet te gaan
met alles dat daarin kon gebeuren,
in het vertrouwen dat God over je waakt.
Als Hij met je is, wat kan je dan gebeuren?

Leven met God is leven langs de beide kanten van het dunne lijntje.
Noach werd wonderlijk in de ark bewaard;
maar hij moest er ook weer uit, de wereld in.
Abraham vond rust in Ur der Chaldeeën,
maar hij werd er ook weer uitgedreven.
Jozef vertrok uit het huis van zijn vader,
dat eens zo’n thuis voor hem was, een warm nest.
Wij vinden rust bij de hemelse Vader;
maar Hij zegent ons evengoed met ónrust
als Hij ons vraagt onze taken op ons te nemen.

Als Mozes in het hoofdstuk
van vanmorgen aan het woord komt,
zit zijn leven op aarde er bijna op.
Het volk staat aan de rand van het beloofde land.
Mozes weet, dat Israel dat land zal bewonen.
Het land zal hen een toevlucht worden, een veilig nest.
Maar: voordat dat land veroverd zal zijn,
zal er nog heel wat moeten gebeuren.
Jericho moet worden veroverd,
het land stukje bij beetje binnengehaald.
Zonder worsteling geen overwinning,
zonder strijd geen vrede,
zonder afgrond geen nest.
~
Hoe ben jij u precies lid van jouw kerkelijke gemeente?
Wat is jouw innerlijke houding als lid van Christus’ kerk?
Hoe leef jij jouw leven als discipel van Jezus?

Onvolwassen christenen zijn als kuikens.
Ze denken vooral aan hun eigen warme nest.
De wereld daarbuiten kan hen niet zoveel schelen.
Zoals ze zelf maar gevoed worden, is het hen best.
Ze verwachten dat alles hen aangereikt wordt.
Als het ietwat te lang duurt,
of als het niet goed bevalt -,
beginnen ze te piepen.

Volwassenen christenen zijn kuikens die durven uit te vliegen.
Hoewel ze het spannend vinden,
maken ze de stap richting het onbekende.
Ze nemen geen genoegen getroost te zijn door God;
ze willen ook de kracht van hun God leren ervaren.
Ze wagen een waagstuk in Gods Naam.
Ze nemen verantwoordelijkheid:
nemen taken op,
stappen over de rand van het nest,
stappen uit in geloof,
vast vertrouwend op de hemelse Vader.

Want dat zegt onze tekst ook duidelijk:
vertrouw dáár maar op, 
dat als je de Vader gehoorzaamt,
Hij je gaandeweg zal leren wat nodig is.
En Vader Arend is nooit ver;
al zouden we diep vallen,
we zouden in Gods hand vallen.
God is altijd onder onze val gedoken!
Zijn brede vleugels zijn de armen van Christus:
‘onder u Zijn Gods eeuwige armen’ (Dtr. 33:27).
De God wiens gedrag
wordt vergeleken met dat van de adelaar,
is ook als iemand
die de kuikens verzamelt,
en Hij is als de Herder
die het lam op Zijn schoudert naar huis draagt.
~
De Here God houdt zóveel van ons,
Zijn Vaderlijke liefde is zó sterk,
dat Hij ons niet op onze eigen plek laat.
Zijn omgang met mensenkinderen is raadselachtig, gewaagd.
Hij daagt ons uit, zet ons in beweging.
Op een bepaalde manier is Mozes’ beeld van de arend
de oud-testamentische tegenhanger
van Petrus in de storm op het meer.
Petrus zat veilig bij de andere leerlingen in het schip.
Maar de Here Jezus verschijnt, Hij daagt Petrus uit.
Petrus, kom in beweging, stap op het water, loop.’

Zo wordt élke christen geroepen:
Dwars door die enge golven,
ondanks geloof dat te klein is voor de situatie,
tóch gaan –
gehoorzaam zijn aan Jezus’ stem;
dezelfde stem die met één woord
alle golven en twijfel kan wegnemen;
maar die dat nog niet doet
omdat Hij éérst wacht op jouw stap in geloof…
Een voet op het water, gáán,
in vast vertrouwen
op Hem die je niet laat zakken,
op Jezus die jouw hoofd boven water zal houden,
vanuit Zijn grote liefde voor jou.

Missionair gemeente-zijn
en leerling-van-Jezus zijn
is ook heilzaam uitgedaagd worden:
jij die beschutting vond bij de Here God,
hoe zal Hij jou de wereld inzenden
om anderen met Hem in contact te brengen?
Als die vraag bij jou op verzet stuit -;
denk dan eens na, eerlijk,
of jouw hemelse God de Vader is van het nest alleen,
ook de God van de diepe afgrond.

We kunnen uren praten over missionair gemeente-zijn,
maar wie van ons zet een eerste concrete stap
om inwoners van ons dorp te bereiken?
Wie van ons zet een streep in de agenda:
‘deze tijd schenk ik weg als investering
in het bereiken van dorpsgenoten
die dreigen verloren te gaan?’
Wie van ons verschuift de tijdsbalans
van zich inzetten voor het ‘kerkelijk nest’
naar bewogenheid voor hen
die diep, ver weg bij God vandaan leven?
~
Zo staan wij in de kerk schouder aan schouder:
ambtsdragers, vrijwilligers, gemeenteleden.
Eén zijn wij in de roeping die God ons geeft.
Die roeping is een last, het vraagt wat van je.
Maar die roeping is ook lichte last,
want wie gehoorzaam doet wat God vraagt,
zal van dichtbij zien hoe Hij jou draagt.

Geroepen worden wij allen – u, jij, ik-
om te doen wat de Here Jezus ons voordeed.
Uit de veiligheid van de hoge hemelse heerlijkheid,
daalde Hij naar de aarde hier beneden af.
Heel Zijn leven was dienen;
heel Zijn bestaan was afzien.
Iets van die gang door de diepte hoort ook in
een volwassen christelijk leven thuis.

Dat is Gods wonderlijke manier van doen:
door de diepte ligt de weg naar boven,
in het lijden ligt het leven,
het dienen maakt je tot overwinnaar.
Juist het leven, lijden, sterven én de opstanding
van onze Here Jezus Christus maakt dat glashelder.

Wie dient, wordt verhoogd,
wie z’n leven weggeeft, zal het terug ontvangen,
wie loslaat, zal vastgehouden worden.
AMEN

Met dank aan dr. E.L. Smelik