Wil je als voorganger op een snelle manier de kwaliteit van je taalgebruik in de preek verbeteren? Neem een rood potlood en streep de volgende zeven woorden uit je preek:

1. Ehm
Dit woordje is- vertelde een logopediste mij eens- ‘een spraakgebrek in vermomming’.

2. Eigenlijk
Eigenlijk altijd een overbodig woord. Predikanten omzeilen het woord
vaak handig door te spreken over ‘ten diepste’. Maar ten diepste komt dat eigenlijk op hetzelfde neer. 

3. Heel véél
Dubbele bijvoeglijke naamwoorden maken een zin eerder ongeloofwaardig.

4. Ja
Als tussenwerpsel een volslagen overbodig woord.

5. Immers, wellicht
´Immers´ is immers het schrijftalige equivalent van ´daarom´ of ‘want’.
Hetzelfde geldt voor ‘wellicht’ (schrijftaal) en ‘misschien’ (spreektaal).
Een preek is eerder een gesprek dan een geschrift.
Kies daarom bij voorkeur voor spreektaal, als je je preek uitschrijft.

6. Archaïsche schrijftaal: derhalve, wegens, desalniettemin
Uw kerkelijke gemeente is de burgerlijke overheidsgemeente niet!

7. En
Variant op nummer 3. Als dit verbindingswoord wordt gebruikt
om twee keer ongeveer hetzelfde in synoniemen te zeggen,
is het vaak beter om één van beide synoniemen en het woord ‘en’ weg te laten.
Vergelijk: God is goed en volmaakt of God is volmaakt.
Tevens is het woord ‘en’ vaak een vervanging voor een komma.
In dat geval is het vaak beter ‘en’ door een punt te vervangen
en beide zinsdelen tot twee korte zinnen om te werken.

8. ‘Mogen’ en ‘willen’, gebruikt als modale hulpwerkwoorden
Bijvoorbeeld: ‘God wil van ons houden’. Taalkundig en theologisch meestal correct, maar al te vaak gebruikt worden het snel krachteloze hulpwerkwoorden.

Bladspiegel
Een verstaanbare preek is onder andere te herkennen aan zijn bladspiegel:
de meerderheid van de tekst staat aan de linkerkant.
Zinnen zijn kort (pakweg 8 woorden per zin of zinsdeel),
de structuur inzichtelijk en overzichtelijk.1